Korpershoek

Een karper van een meter van kop tot staart
zwom in zijn eentje door de Vlaardingervaart;
hij had het daar doorgaans zeer naar zijn zin,
maar zo in het voorjaar had hij meer zin in min.

Via de waterplanten en de modderlaag
zwom een vrouwtjeskarper zigzag door de Gaag,
op zoek naar een plekje voor kuit en hom,
maar meer nog op zoek naar een bruidegom.

Zij vonden elkaar, dat kon niet missen
en spartelden met veel waterlawaai,
van spetter-de-spat, want zo gaat dat bij vissen,
tot groot vermaak van ‘t publiek op de kaai.

Daar zwom nog een karper, zij kwam van de Zijde.
Kom, dacht de ‘goud’vis: dan paai ik ze beide.
Sindsdien is het zeker en zonder gezoek,
karpers in de lente gaan naar Korpershoek.
 
                                         Tineke van Gils,   
2003